Routine

Je wordt wakker. De droom nog vers in je geheugen, je hand nog in je slipje. Details vervagen al snel maar je tegenspeler staat nog helder op je netvlies. Je kijkt opzij. Je man is al het bed uit, zoals elke ochtend een uur eerder dan jij naar zijn werk. De plichtmatige kus krijg je al een paar jaar niet meer. Het moment dat dat stopte kan je je niet herinneren. Je probeert je de laatste seks te herinneren. Wanneer werden weken maanden? Het was deze zomer maar de herfst staat al akelig dicht voor de deur. Beter ook vergeten die laatste keer. Het was volgens het vaste patroon: Wijntje, bank, filmpje en na de film die je niet meer kan herinneren de vaste routine van 10 minuten. Routine is fijn maar hier voelt het iets minder.

Je staat op en loopt naar de badkamer. De kinderen zitten beneden voor de TV. Lang douchen kan niet meer, ze moeten eten en zo door naar school. Je spoelt je even snel af en laat je handen langs je lichaam gaan. Wanneer was het voor het laatst dat iemand je lichaam echt lief heeft gehad? Je bewonderend heeft aangekeken en heeft verteld dat je mooi bent? Je kijkt in de spiegel. Dat ochtendhoofd is niet alles op je veertigste maar je kijkt tevreden naar je lichaam. Draait je kont naar de spiegel en lacht. Dit is voor jou Giovanni zeg je en op het moment dat je het uitspreekt schrik je.

Wat mankeert je? Gio is een fijne online vriend. Je praat al een jaar met hem, de laatste maanden wat intensiever. In tegenstelling tot veel andere mannen is hij netjes en geïnteresseerd. Je mag fijn tegen hem aan zeuren zonder dat hij je veroordeelt. En hij hoort graag wat je doet. Je voelt je op je gemak bij hem. Een fijne vriend. Maar niet meer dan dat. En alleen online. Lekker makkelijk, kan je uitzetten wanneer je er geen zin in hebt.

Je droogt je af, kleedt je aan, doet je make-up. Je hoort de kinderen ruzie maken. Je schreeuwt ze aan tafel. Spijt op het moment dat je dat doet. Dat was nergens voor nodig. Sorry jongens, mama moet eerst even koffie. Bakjes, bekers, brood, fruit. Mediator spelen, de vrede bewaren. Als alles gewoon loopt zoals het hoort te lopen, dan is het goed. Routine, routine is goed. Gio is al uit je hoofd verdwenen. De routine verdreef hem.

Je loopt de kinderen naar school. Haat aan het schoolplein. Je zal de dag vieren wanneer ze zelfstandig naar school kunnen. Op de terugweg naar huis eindelijk tijd voor je telefoon. Drie facebookberichten. Een van Gio: “he H. je koffie al gehad? Heb een fijne dag! x”. Je lacht naar je telefoon. Je besluit te antwoorden. “ha G. ja koffie gehad, man wat was ik daar aan toe. En weet je, ik moet je wat vertellen, ik had een bijzondere droom…”

Onze eigen film

De schemering valt vroeg. Voor mijn gevoel is het al rond tien uur maar wanneer ik op mijn telefoon kijk zie ik dat het nog maar net acht uur is geweest. De zon schijnt maar is achter het huis verdwenen. Wanneer ik even geduld heb zal hij zo rechts naast het dak weer verschijnen. Het is eind augustus en de zomer loopt op zijn eind. De herfst is er nog niet maar rijpe gevallen appels onder de boom, de laatste knoppen van de teunisbloem die bloeien, door slakken aangevreten bladeren en overal spinnen. Alles kondigt verandering aan, de tijd van het grote sterven is begonnen.

Daar waar het binnen nog steeds benauwd is, is het buiten nu aangenaam. Het drukkende warme weer van de afgelopen dagen heeft plaatsgemaakt voor een aangename kamertemperatuur in de buitenlucht. Over een week breekt het weekend van 11 september aan. Ik denk aan het Kronenburgpark, het bankje en Wuthering Heights. De film die we samen zouden gaan kijken in het park maar waar het nooit van gekomen is. We maakten samen een betere film.

reputatie

Een week ervoor noemde je mij nog je grote geheime liefde. Je mag het ontkennen maar het staat zwart op wit. We waren alles voor elkaar maar toen ik zwaar gewond tot je deur was gekropen liet je me liggen alsof je mij niet kende. Ik heb gebeden en gesmeekt maar lijnen werden doorgesneden, bruggen opgetrokken, greppels gegraven. Je liet me voor dood achter. Reputatie en egoïsme waren je drijfveren. Daar moest alles voor wijken, zelfs je grote liefde.

Maar ik ben nog steeds niet gestorven, ondanks alles is mijn liefde voor jou nog smeulend aanwezig. Er over schrijven een manier om te overleven. En geef mij vooral de schuld maar weet dat jouw lafheid de oorzaak is van deze ellende. Je had me onder ogen kunnen komen in plaats van op afstand emotieloze woorden op me los te laten.

Je had alles verteld maar ik moest mijn mond dichthouden. Hoe heb je ons weggezet? Hoe heb je mij neergezet? Misschien is het tijd dat ik voor mezelf opkom en het beeld dat jij geschapen hebt eens tegen ga spreken. Want je bent niet de enige met een reputatie.

niet mijn dochter

Mijn dochter zal zo een keer komen. Het is bijna tien uur maar haar kennende zal het iets later zijn wanneer ze op mijn deur klopt. Vanmorgen maakte ik de wandeling naar de bakker. Een bruin brood voor mezelf en één slagroomgebakje voor haar. Iets dat ik al vanaf haar lagere schooltijd met regelmaat deed. Ze was als kind een slechte eter. Alles wat ze at was in vijf of zes zinnetjes samen te vatten. Het meest genoot ze van aardbeien, vers wit brood en slagroomgebak. Het uit school komen was een vaste procedure: even aan de keukentafel zitten, mij verplicht vertellen hoe school was, in haar geval een glas water drinken, haar broer een glas ranja. En dan met een koekje erbij en soms dus een slagroomgebakje. Haar antwoord was steevast “stom” of “saai” maar ze ging elke ochtend met plezier naar school. Ik genoot intens hoe ze dat gebakje at. Het geluk dat een genietend kind heet. 

Al 16 jaar woon ik nu alleen. Het was wennen toen zij en haar broer het huis van hun vader verlieten. Gelukkig kwamen ze in de weekenden regelmatig terug maar ook dat werd snel minder. Ik miste de aanwezigheid maar genoot ook van mijn vrijheid. Ik heb niet zoveel moeite met alleen zijn.

Judith is nu 34, bezoekt me eens per maand met de regelmaat van de klok. Ze is getrouwd en heeft twee jonge kinderen Max en Sam, mijn enige kleinkinderen. Mijn schoonzoon is een ambtenaar, werkt bij de provincie. Een goede vent maar voor mijn gevoel te weinig ambitie. De bezoeken worden altijd gekondigd. Meestal even kort maar de aankondiging was dit keer anders. “Ik kom zonder de kinderen, ik wil graag met je praten” was het korte bericht dat ik kreeg. “Prima” mijn antwoord. “Zaterdag 10 uur doen?” We zijn van de korte communicatie. Geen lange berichten over en weer maar mijn nieuwsgierigheid was aangewakkerd. Waarover zouden we moeten praten? Haar moeder? Ik hoopte dat het niet over haar moeder ging. De vrouw die ik 25 jaar geleden verlaten had. Nog steeds bezorgde mij dat een onbehaaglijk gevoel. Ik drukte mijn zorgen weg, die worden pas relevant wanneer het moment daar is.

Opgewekt komt ze binnen. Slank, lang blond haar, vlotte bewegingen. Ze kust me op de wang en zegt dat ik moet blijven zitten. “Ik zet wel even thee voor ons”. Ik vertel haar dat er een slagroomgebakje voor haar in koelkast staat. Ik zie ze glimlachen terwijl ze doorloopt naar de keuken. Ze pakt de goede glazen theekopjes, ik hoor de waterkoker, de deur van de koelkast. Even later komt ze met een dienblad de woonkamer binnen. Ik sta op om zelf een extra suikerklontje te halen. Niet dat ze niet weet dat ik er altijd twee neem maar het is een van de karaktereigenschappen die ze van haar moeder heeft. Ze lacht: “papa, dat is niet gezond”. “Niet goed, wel lekker” is mijn antwoord. “Genieten is belangrijker dan gezond eten, zolang je alles maar met mate doet”. Dat was altijd mijn credo geweest.

Ze schuift haar stoel dichter naar die van mij toe en gaat zitten. Die handeling brengt spanning in de ruimte. Alsof ze me iets in vertrouwen wil gaan vertellen. Niet achterover zittend met een theekopje in de hand maar de thee op het bijzettafeltje samen met het gebakje, onaangeroerd. Naar me toe gebogen, ogen naar de grond. “Papa, ik ben verliefd.” Ik voel hoe de woorden me raken. Vier woorden die nodig zijn om een oneindige stroom gevoelens door te geven. Ze kijkt naar me op. Ik kijk terug en zeg niets. Ik adem alleen uit. Pak mijn thee en roer de suiker door. Twee handen om het theeglas. Nog te heet. “Het was niet mijn bedoeling, het begon gewoon als een heel aardige online vriendschap. Bijna twee jaar lang contact mee gehad, niks aan de hand. En toen droomde ik een keer over hem, vertelde hem dat. Ik maakte het wat spannend, weet ook niet waarom. Maar toen sloeg de vonk over. We schrokken ons beide wild. Hij is ook getrouwd, kinderen, alles prima voor elkaar, net zoals ik”

Ik luister. Zoek naar woorden. Ik voel het verdriet van mijn dochter. Liefde een gedrocht. Het overvalt je, kruipt in je botten, vermengt zich met elke cel van je lichaam. Onuitroeibaar. Het werpt me terug in de tijd. Hoe ik zelf 25 jaar geleden in een zelfde situatie zat. Hoe me dat verwoest heeft, alles verzengende liefde voor iemand die ook van jou houdt maar die door de omstandigheden niet met je samen kan zijn. Van elkaar afgeschermd door een ondoordringbare transparante afscheiding. Opgebouwd uit keuzes en beloftes. Ik herinner mij het gevecht dat we gevoerd hebben. Bijna anderhalf jaar lang. Vaak namen we gevechtspauzes, tijd om ons alleen op liefkozingen te storten, het onafwendbare voor ons uitschuivend. Alle contact verbreken was de enige oplossing volgens jou, ik zag een middenweg. Later, wanneer je oud was en zou sterven, dan zou in een geheim vakje van je portemonnee mijn foto gevonden worden. Ik vond er geen troost in. De gedachte aan jou oud en een leven zonder mij stemde me alleen droevig.

Maar uiteindelijk nam jij het besluit, aangezet door de druk die ik uitoefende. Binnen de grenzen van het beschaafde heb ik nog even gevochten. Maar toen je woorden bitter werden moest ik mijzelf overgeven. Het verlies accepteren. En hier zit ik dan nu, 25 jaar verder, alleen. Jazeker, er waren andere vrouwen. Mooier, jonger, beter maar niemand was als jij. Bovendien was het hart uiteengeslagen, grote stukken die bij jou achterbleven om nooit meer terug te keren. En nu zit hier mijn dochter. Wat verwacht ze van mij? Moet ik zeggen dat ze haar hart moet volgen, de zekerheid die ze nu heeft op moet geven? Wat kun je je kind hierover nu meegeven?

Wanneer ik er over over nadenk wordt ik opnieuw teruggeworpen in het verleden. Was ik te beschaafd geweest? Te zwak? Heb ik over me heen laten lopen? Ondanks mijn leeftijd weet ik nog steeds niet hoe de liefde door anderen beleefd wordt. Ik weet alleen dat echte, alles verzengende liefde slechts één en met veel geluk misschien twee keer in je leven voorbij komt. Maar misschien is het een groter geluk wanneer het uit je leven blijft. Is een leven waarin de ratio leidend is veel beter. Kiezen voor het praktische. Ik wil het haar niet zeggen maar wat voor een vader zou ik zijn dus spreek ik het uit “Lieve schat, volg je hart. Mijn steun heb je” En op het moment dat ik dat zeg vraag ik me af of de vrouw in wiens portemonnee mijn foto zit hetzelfde advies aan haar kinderen zou geven. Wanneer ik mezelf de vraag stel komen de tranen. Het is tijd om haar op te zoeken.

 

De brug

Ik reed terug met je boek naast me. De woorden die je schreef sneden door mijn ziel. Tevergeefs had ik gewacht op een exemplaar. Gehoopt op een klein beetje dankbaarheid voor dat wat was. Een paar troostende zinnen, een mooie terugblik.

Dus ik haalde de woorden bij je op, over de rivieren. Op de terugweg de gedachte. Wat als ik nu hier stop, op het midden van de brug, hij is rustig en breed. Vergetelheid in het donkere wassende water. Mijn auto eenzaam, een portier open, je boek opengeslagen op de eerste pagina. Mijn bestaan gewist.

 

thee

Erg sympathiek was het niet van Chantal of was ik nu heel erg kinderachtig? Samen de stad in was alle vorige keren toch ook echt samen weer naar huis. Ons studentenhuis wel te verstaan. De woning die haar vader gekocht had en waar we met zijn vieren in getrokken waren. Het hebben van rijke ouders heeft zo zijn voordelen maar blijkbaar vonden haar ouders het hebben van een volledige woning voor haarzelf wat te overdreven. Samen met twee andere meiden werd ik door haar uitgekozen toen ik op gesprek kwam voor een van de kamers. En het klikte meteen tussen ons. Ik deed de lerarenopleiding en zij studeerde geschiedenis. Tegen de zin van haar ouders maar ze ging er prat op dat ze haar vader alleen maar zielig aan hoefde te kijken om haar zin te krijgen.

Het duurde niet lang of we gingen op donderdagavond samen de stad in om het nachtleven te verkennen. Omdat we beide uit een dorp kwamen was het even wennen. De grote mensenmassa’s, de keus in uitgaansgelegenheden, het feit dat er door de week ook allerlei dingen te doen waren. Gelukkig hadden we tijdens de introductie al wel kennis gemaakt met een aantal cafés en het was een openbaring dat er ook gelegenheden waren die pas om middernacht open gingen en weer sloten bij het ochtendlicht.

We hadden beide het laatste jaar van onze middelbare schooltijd verkering gehad. Ik zelf een half jaar met Peter, Chantal zelfs twee jaar met een iets oudere jongen. In beide gevallen was de relatie gestopt toen we gingen studeren. Peter koos voor een studie in Canada, we vonden beide dat het voortzetten van de relatie onder die omstandigheden niet goed voor ons zou zijn en inderdaad, ik had er eigenlijk direct vrede mee. Peter was al tijdens de relatie verworden tot een goede vriend. De seks was nooit geweldig geweest en in de weekenden was het bioscoopbezoek of thuis bij de ouders op de bank een film kijken, waarbij we afsluitend bij elkaar bleven slapen en dan plichtmatige seks hadden. In het begin trok die huiselijkheid me wel maar na een aantal maanden besefte ik me dat met amper 18 ik dit niet de rest van mijn leven op deze manier ging doen.

De status van Chantal was me niet helemaal duidelijk. Volgens haar had ze geen verkering meer maar toch begreep ik dat in de weekenden die ze naar huis ging ze regelmatig nog een afspraak met hem had. Echter was van enige verkering tijdens onze avonden uit in de stad weinig te merken. Chantal was een kei in het versieren van jongens en had een sterke voorkeur voor het wat oudere soort. Meestal waren het alfa-mannetjes. Jongens die omringd werden door aanhang. Doorgaans door andere jongens, lager in de pikorde maar meestal ook in het gezelschap van een aantal meiden.  

Ik had meer met de mysterieuze types, de eenlingen die je binnen zag komen, zonder aanhang, solitair. Ik had daar respect voor. Zelf zou ik het niet in mijn hoofd halen alleen uit te gaan. Langere haren, tikkeltje onverzorgd, stoppels of een beginnende baard. Dat was mijn type. Toch had ik het eerste halve jaar sinds ik in de stad woonde geen vast vriendje opgedaan en was niet veel verder gekomen dan drie keer zoenen met telkens een andere leuke jongen aan het eind van de avond. Waarbij het beeld van leuke jongen in alle gevallen wellicht iets getekend was door een wat overvloedige alcoholinname. Het “we appen” werd door mij steeds beantwoord met een oorverdovende stilte. Een Facebook check de volgende dag was voldoende: no-go.

Maar hier liep ik nu, alleen onderweg naar huis, iets voor twee. Een maanloze nacht, bewolkt maar niet te koud en droog. Het eerste stuk door het centrum was niet zo erg geweest. Meer dan genoeg drukte op straat en wanneer je de pas er goed inhield viel het met de opmerkingen ook wel mee. Ook de zichtbare aanwezigheid van politie op mountainbikes gaf een geruststellend gevoel. Maar nu ik het centrum verlaten had begon de leegte op te vallen. Het werd een heel stuk stiller op straat, af een toe een paar fietsers, een auto die met hoge snelheid over de lege weg raasde. Straatverlichting die zijn best deed maar toch niet de illusie van daglicht kon realiseren. Lange schaduwen over de stoep van die zelfde verlichting, bomen en verkeersborden. Als hindernissen waar ik overheen moest stappen. Tot overmaat van ramp mijn telefoon leeg. Met 36% van huis gaan was ook niet heel handig maar ik had van te voren echt het idee dat ik het er wel mee zou kunnen redden. Het gaf me een onprettig gevoel om langs dichte struiken te moeten lopen. Stak meer dan een keer de weg over om toch maar de stoep aan de andere kant te nemen maar dat had geen zin bij struikgewas aan beide kanten van de weg. Bovendien maakte ook het oversteken me meer zichtbaar.

Het was een leuke avond geweest maar ik moest vroeg naar huis vanwege een tentamen dat ik de volgende ochtend om tien uur zou hebben. Dat had ik ook met Chantal afgesproken: even kort te stad in, paar drankjes doen en dan weer naar huis. Maar in club Charlie, de dancing die na 1 uur pas begon te lopen, was Chantal een leuke vent tegen gekomen, eentje die gul was met de drankjes. Ik schatte hem midden twintig, hij bestelde shotjes en wodka op ijs. Ik sloeg na het eerste rondje af maar Chantal ging hard. Het duurde niet lang of ze stonden samen gearmd tegen de bar. De dansvloer goed gevuld. Ik vermaakte mij op mijn manier, had vluchtige gesprekken, genoot van de muziek en de dansende mensen. Verschillende keren wees ik Chantal subtiel op de tijd maar hoe verder die tijd vorderde, hoe meer ik er achter kwam dat samen op tijd naar huis geen optie was deze avond. Ook niet toen ik letterlijk aan haar arm trok om haar aandacht te krijgen. Met dezelfde arm duwde ze mij weg alsof ik een lastig kind was dat maar ergens anders moest gaan spelen terwijl ondertussen haar aandacht volledig bij haar nieuwe aanwinst bleef.

Ik zag mezelf het tentamen al verprutsen. Ik kon slecht tegen weinig slaap en zou ik het tentamen niet verprutsen dan zat de kans er ik dik in dat ik door de wekker heen zou slapen en het hele tentamen zou missen. Ik riep in Chantal’s oor dat ik dan maar alleen zou gaan. Het antwoord van Chantal was een waaierend gebaar naar achteren met haar linker hand. Goed, dan maar alleen. Ik draaide me om om naar de garderobe te lopen. Terwijl ik dat doe beland ik tegenover een man met diep groene ogen die me lachend maar ook een beetje zorgelijk aankijkt. “Gaat dat allemaal goed met jou en je vriendin?” Even weet ik niet wat te antwoorden, waar bemoeit hij zich mee? Ik kijk nog een keer naar Chantal en zie inderdaad dat haar motorische functies iets beginnen te haperen. Het lijkt de jongen met wie ze staat niet te deren. Het is meer alsof hij er van geniet. Beleefd als ik ben leg ik hem de situatie uit. Hij knikt begripvol, zegt dat ik haar misschien nog een keer moet vragen. Ik antwoord dat het zo goed is en bedank hem voor de belangstelling. Wanneer ik doorloop naar de garderobe voel ik zijn ogen in mijn rug.

Bij de uitgang tref ik de man nog een keer. Hij maakt een praatje met de portier. Het lijkt alsof ze elkaar kennen. “Zal ik een stukje met je meelopen?” vraagt hij. Het klinkt vriendelijk maar ik krijg kippenvel. Ik antwoord dat ik alleen de weg naar huis kan vinden. Beide mannen lachen en terwijl ik wegloop hoor ik ze “tot ziens” zeggen. Ik kijk niet meer om maar weer voel ik ogen die me nakijken.

Ik heb nog een kwartier te gaan voordat ik thuis ben. Ik loop nu door een echte woonbuurt. Niemand op straat, de lichten in de huizen uit. Alleen af en toe een geel nachtlicht. Het voelt alsof er iemand achter mij loopt, ik kijk om en zie in de verte inderdaad iemand lopen. Niet meer dan een silhouet, te ver om te bepalen wie of wat het is. Toch is de afstand dusdanig groot dat ik me geen zorgen maak. Ik besluit nog iets sneller te gaan lopen zodat ik niet ingehaald kan worden. Ik vervloek mezelf dat ik de telefoon niet opgeladen heb. Terwijl ik stevig doorloop kijk ik nog eens achterom. De afstand tussen ons is, ondanks mijn versnelling, kleiner geworden. Ik zie dat de persoon er stevig de pas in heeft, bijna militair. Een kap van zijn joggingjas over zijn hoofd getrokken, zijn gezicht naar de grond gekeerd. Het is nog zeker 10 minuten rechtdoor lopen. Het voelt alles behalve goed dit. Hoe ga ik dit oplossen? Ik besluit dat het wellicht handig is om even een zijstraatje te nemen. Mijn achtervolger moet ongetwijfeld ook gewoon rechtdoor en zal me dan vast voorbij lopen. Dan kan ik daarna achter hem aan gaan lopen. Angst weg en niet iemand die me snel van achteren kan naderen. Maar nog voor ik een zijstraat ik kan lopen hoor ik “HE!” roepen. Ik kijk om een zie dat de man de looppas ingezet heeft en met zijn hand rechterhand in de lucht loopt te zwaaien. Het zweet breekt me aan alle kanten uit. Even ben ik totaal besluiteloos maar zet het dan op een rennen. Gewoon rechtdoor, naar huis. Niet omkijken, rennen! Zo heel ver is het niet meer. Ik hoor dat mijn achtervolger “WACHT!” roept maar dat is niet hetgeen ik van plan ben. Mijn hart in mijn keel, mijn ademhaling op volle snelheid, misselijk.

Ik red het tot het portiek, ik kijk achterom. Mijn achtervolger heeft het rennen opgegeven en loopt nu rustig mijn kant op. Hij zegt niks meer maar nadert vlot. Ik zoek in mijn tas naar mijn sleutels. Verdomme, waarom altijd al die rotzooi mee. Waar zijn de sleutels? Nog meer paniek, ik kan ze niet vinden. Ik weet dat er niemand thuis is, toch bel ik aan. Lang, natuurlijk, geen reactie. De man is nu op enkele meters genaderd. Hij gooit zijn muts naar achteren. Het is de man met de groene ogen die zo belangstellend was. Verkrachting en moord gaan door me heen. Hij lacht, verontschuldigt zich. “Sorry, maar ik wist ook niet hoe ik dit anders aan moest pakken, maar je hebt bij het aantrekken van je jas je sleutels laten vallen. Het personeel kon niet weg dus heb ik aangeboden je maar even achterna te lopen maar je voorsprong was groter dan gedacht.”

Het voelt als opluchting, hij geeft me de sleutels. Ik voel me ontzettend dom, schaam me. Niks kwaads in zijn gezicht, zelfs vriendelijk. Toch blijf ik me ongemakkelijk voelen. Hoe nu verder? De deur open maken en hem de kans geven mij naar binnen te duwen? Of mijn angsten nu overwinnen en me gedragen als een volwassen vrouw? Ik wiebel wat op mijn voeten en kies voor het laatste: schud zijn hand en stel me voor, we lachen…Ik hoor het mezelf zeggen: “zal ik een kop thee zetten?” Hij lacht nog steeds: “Graag” is zijn antwoord.

 

Vakantie

De schoolvakantie brak aan. Over twee weken zou je afreizen naar Italië. Samen met je man en je twee kinderen. Geen internet op de camping, alleen bij het hoofdgebouw. Wat zagen we er tegenop, elkaar vijf weken moeten missen. De gedachte alleen al was ondragelijk. Elke ochtend werden we met elkaar wakker, elke avond gingen we samen naar bed. Daartussen deelden we onze momenten.

Nooit hadden we uitgesproken waarom we zo tot elkaar aangetrokken werden. Wat was er niet goed genoeg aan de relatie die we hadden? Waarom hadden we elkaar zo nodig? Mijn verhaal vertelde ik je niet. Ik wilde je er niet mee vermoeien en schaamte speelde ook mee. Jou durfde ik het niet te vragen. Jawel, voorzichtig deed ik wel eens een poging maar het antwoord op de voorzichtige vragen die ik stelde was er een die uitmondde in een beeld van een tevreden gezin en ideale partner. Misschien wat ingekakt maar niet meer dan dat. Toch voelde het anders, maar doorvragen wilde ik niet. Samen huilden we over het gedwongen afscheid. Bij het inpakken van je koffers was ik aanwezig. Vanuit de badkamer stuurde je foto’s. De volgende dag het laatste bericht dat je nu de grens overging en dat internet uit zou vallen. Ik huilde, ik verlangde. Voor het eerst jaloezie bij het idee dat je met iemand anders was.

De ramp viel mee. Je kreeg van hem af en toe een bundeltje en je was regelmatig bij het hoofdgebouw te vinden. We stuurden elkaar lieve berichten. Het missen stond centraal. We stuurden foto’s, werden gefrustreerd door de slechte verbinding, de weinige momenten die we met elkaar hadden. Maar het was genoeg om ons overeind te houden, om deze weken te overleven. Ergens in deze periode kwam het hoge woord eruit. Er was geen genegenheid meer. Je voelde je volledig inwisselbaar. Je was vanzelfsprekend geworden. Een meubelstuk. Geen interesse in elkaars doen en laten. En daar was ik: ik aanbad je. Wilde elke stap weten die je gezet had. Stak de loftrompet over je af maar was ook kritisch. Ik geloofde in je op het moment dat niemand anders dat deed. Zag de potentie. Je intelligentie, humor en schoonheid.

En ik genoot van wat ik terug kreeg. Je lach, de blik in je ogen. Je woorden, onze muziek. Onze momenten samen. “Cross”, “je weet toch”, de afkortingen die we voor- en met elkaar hadden bedacht. Niet gemaakt maar geëvolueerd. Het verlangen naar elkaar was er op elk denkbaar vlak maar we hadden geen idee hoe nu verder te gaan. Ja, we zouden elkaar gaan zien maar wat daarna moest komen konden en wilden we niet bedenken.

Gereguleerd (5)

Het pad dat ik genomen heb slaat af naar rechts richting de bosrand. Het ligt lager dan de omliggende velden maar niet zo laag dat ik niet meer over de glooiende velden kan kijken. Op de plek waar het pad het bos in gaat wordt het geflankeerd door twee grote inlandse eiken. Ik denk dat er twee volwassen mannen nodig zijn om ze te omarmen. De grillige vertakkingen van de hoofdstam hadden bomen op zich kunnen zijn. De takken zitten laag bij de grond. Dit zijn geen bomen die vroeger opgesnoeid zijn. Er is ook duidelijk dood hout aanwezig in de boom maar het bladgroen overheerst. Hier en daar een galappel op de bladeren. Ik blijf even stil staan, leg mijn handen op de schors en kijk naar boven. Wat hebben deze bomen allemaal al voorbij zien komen? Welke geheimen dragen ze met zich mee? In gedachten laat ik me meevoeren terug in de tijd. Honderd jaar terug, toen oorlog nog werkelijkheid was, de aarde zwaar overbelast en op veel plaatsen gebrek aan de meest basale zaken die nodig waren voor levensonderhoud. Techniek en wetenschap heeft ons ver gebracht. De dataschil, nagenoeg onbeperkte energie voor iedereen en optimaal hergebruik van grondstoffen en aarde hebben de aanleiding tot bijna alle conflicten weggenomen. Toen niemand meer iets tekort kwam was religie ook geen aanleiding meer om oorlog te voeren. Bleek achteraf toch dat religie niet de reden was maar slechts een aanleiding. Hoe lang hebben we daar toch anders over gedacht.

Maar met het wegnemen van de tekorten verloor ook religie zijn aanhang. Ja, een enkeling gelooft nog maar voor de meerderheid is de dataschil de leidende kracht in het dagelijks leven. In tijden van geestelijke nood biedt de dataschil een luisterend oor maar geeft ook repliek. Beter dan mensen dat kunnen. Niemand kent je immers beter dan de dataschil. Waarom zou je dan nog bidden naar een god die je toch geen antwoord geeft?

Toch laat het mij niet helemaal los. Alle leven is volgens een ontwerp. Als mens zijn we in staat het ontwerp aan te passen. Sterker nog, we zijn in staat nieuwe soorten te maken. Dat laatste is iets dat we kunnen maar waar we van af hebben gezien. Maar zo zijn er veel meer dingen waar we afscheid van hebben genomen. Honderd jaar geleden dachten we dat de mens de ruimte in moest. De ruimte koloniseren was het credo. We zijn er nu achter dat dit voor ons als soort te hoog gegrepen is. De ruimte te vijandig. De kosten te hoog. Maar waarom zouden we ook? Onze bevolking is stabiel, de aarde in evenwicht. We laten niets meer verloren gaan. Sterker nog, we repareren nog steeds de schade die we vroeger hebben toegebracht.

Ik schrik op uit mijn gedachten door een bonte specht die op een tak ratelt. Ik loop verder het bos in. Het pad loopt licht omhoog. Zonnestralen schijnen door het bladerdak heen. Genoeg zonlicht om ook voor een groene bodembedekking te zorgen. Wilde kers en hazelaar langs de kant. Je kan de nu nog groene hazelnoten zien zitten, vaak in paartjes. Een eekhoorn steekt rennend voor mij het pad over en verdwijnt in een den. Tijdens het oversteken de rode staart parmant in de lucht.
Ik geniet maar toch voel ik mij alleen. Ik mis Eliza.

het huis dat niet hielp

Een vriend van de familie, zolang ik leef ken ik je al. Jij en mijn vader doen zaken met elkaar. Privé en zakelijk lopen bij mijn ouders altijd door elkaar. Vaste klanten worden vrienden maar in jullie geval was er eerst vriendschap en kwamen de zaken later pas. Als ik me niet vergis gaat jullie vriendschap terug tot jullie jeugd. Voor mij klinkt dat als heel lang geleden maar wanneer ik er nu aan terug denk zal dat rond de 15 jaar geweest zijn. Als klein kind kwam ik al samen met mijn ouders bij je over de vloer.  Groot huis, grote tuin. Eenden en kippen rond het huis. Mooie vrouw en een paar kinderen van mijn leeftijd. Zoons. In mijn pubertijd zag ik je minder en toen ik daarna het ouderlijk huis verliet helemaal niet meer. Tot ik voor mezelf begon. Mijn ouders seinden me in dat je mijn hulp wel kon gebruiken en dat ik maar eens een afspraak met je moest maken.

Een heel goed gevoel had ik er niet bij. Zeker, je was een bijzonder aardige vent maar je had ook een agressieve inslag. Een schreeuwer. Opdrachten aan je personeel werden schreeuwend overgebracht. Wanneer dingen niet op jouw manier gingen werd er met de vuisten gedreigd. Ze zullen ook wel eens gebruikt zijn. Daar tegenover stond “afspraak is afspraak” – een mondelinge toezegging werd nagekomen, altijd. Over geld hoefde ik mij geen zorgen te maken. Dat kon ik niet bij alle klanten zeggen, hier wel. Met dat schreeuwen en dreigen had ik zelf niet zoveel moeite. Waar anderen in hun schulp kropen was ik wel in staat er tegenin te gaan. Ik kom immers uit een familie waarin schreeuwen de standaard manier van communiceren is. Zelf noemen we dat geen schreeuwen, we praten hoogstens een beetje hard maar mijn eerste vriendinnetje dat ik mee naar huis nam vroeg zich af waarom we in hemelsnaam de hele tijd zo tegen elkaar zaten te schreeuwen. Ik zei dat ik geen idee had maar dat het voor mij prima functioneerde. Ook over wat grotere afstand. Daarnaast werden verzoeken aan elkaar in de gebiedende wijs uitgesproken. Menig zin begon met “Jij moet nu”. Het heeft lang geduurd voordat ik dat een beetje afgeleerd had en zelfs nu ik oud ben betrap ik mij er op dat ik het nog wel eens doe.

Je begroet me joviaal, maar loopt me voorbij. Je snor je handelsmerk, net zoals je bierbuik. “Ik kom zo bij je, pak maar vast koffie!” Ik loop je kantoor in en hoor je verderop vloeken tegen een van je medewerkers. Het duurt niet lang of je komt terug. “Hoe is het? Alles goed? Ook alles goed met pa en ma?” Wanneer ik dat bevestigd heb vraag je waarom ik nog geen koffie heb. Ik zeg dat ik geen koffie drink maar thee. Je schreeuwt door twee ruimtes heen naar je vrouw. “Jen! Maak even snel een kop thee! Hans is hier!” Ik hoor dat ze iets terug schreeuwt. Het klinkt bevestigend. “Moet je luisteren, ik heb hier de fax, de kopieermachine en de computers. Ik wil dat jij dat allemaal hier gaat regelen. Maakt me verder niet uit hoe je het doet, als je het maar goed doet.” Ik zeg dat dat tot mogelijkheden behoort en wil vertellen over het uurtarief dat ik hanteer en over de jongens die ik in dienst heb. “Ik hoef het allemaal niet te weten, maakt me ook niet uit wie je stuurt, zolang ze hun werk maar goed doen. Maar voor de boekhouding heb ik een meisje, en daar moet jij de zaken mee regelen.” Ok, het is mij helder. Veel woorden hebben we met elkaar niet nodig om tot een verstandhouding te komen. Ik verbaas me erover hoeveel hij daarin op mijn vader lijkt. Het contact met mijn vader beperkt zich ook doorgaans tot één zin over en weer. Twee of meer zinnen staan voor een diepgaand gesprek. Ik heb daar nooit moeite mee gehad, zonder woorden werkt communicatie ook prima.

De weken er op kom ik regelmatig op je kantoor. Je hebt een knap meisje uitgezocht voor de administratie. Wel heb ik het idee dat de selectie vooral op basis van uiterlijk heeft plaatsgevonden en niet zo heel erg op computer- en boekhoudskills. Ik schat dat ze een jaar of acht ouder is dan ik. Net geen dertig. Een volle bos blonde haren. Iets kleiner dan ik.

Ik vind het een beetje raar dat je twee kantoren hebt. Het kantoor waar het meisje zit, zit op een ander adres dan waar we de eerste keer afgesproken hebben. Niet helemaal onlogisch want ook hier heb je grootschalige opslag van spullen in een magazijn. Maar dit kantoor oogt als meer dan dat. Het lijkt alsof er op de bank geslapen wordt. Buiten het meisje is hier geen ander personeel aanwezig overdag. Naast de PC staat een foto van een van je zoons. Het is de zoon die een paar jaar geleden is omgekomen tijdens een verkeersongeluk. Drie jaar jonger dan ik. Wanneer het meisje er niet is begin je regelmatig over hem te praten.  Ik heb zelf geen kinderen en kan me het verlies van een kind niet voorstellen. Maar ik merk dat de pijn diep zit, heel diep.

Je vertelt over de problemen met je vrouw. Dat je er met haar niet over kan praten. Dat je niet in je huis kan zijn omdat alles in je huis aan hem doet denken. Dat je plannen hebt om een grote nieuw villa te bouwen. Hier naast het kantoor waar we nu zijn.

Je maakt me deelgenoot van je plannen. Je laat de bouwtekeningen zien. Een keuken heb je al besteld, uit Engeland. Alleen de beste materialen zijn goed genoeg. Nog voor er begonnen is met de bouw wordt er inrichting gekocht. In de maanden er op wordt er met de bouw begonnen. Je schreeuwt de bouwvakkers aan het werk. Op deze bouw wordt niet gelanterfant.

Er is genoeg werk voor mij en tijdens dat werk vertel je steeds meer. Over de relatie met het kantoormeisje. Dat je je steeds slechter voelt. De huisarts die ook niet meer weet wat hij met je aanmoet. Medicijnen die je hebt gekregen maar die je niet regelmatig inneemt. Dat je eigenlijk geen zin meer in alles hebt. Ik wijs je op al het moois waar je mee bezig bent. Het prachtige huis, helemaal naar je eigen zin. Je andere kinderen. Je succesvolle zaak waar het geld letterlijk binnenstroomt. Je vrouw, en ja, dat meisje op kantoor. Je schudt je hoofd, zegt dat je nauwelijks nog slaapt. Wanneer ik ga wens ik je sterkte.

De bel gaat. Wanneer ik open doe zie ik dat jij het bent. Wallen onder de ogen. Je vraagt of je binnen mag komen. Ik laat je binnen en zet koffie. Het is wat vreemd om je in mijn eigen huis te hebben. Waarom kom je naar mij? Ik vraag je of mijn ouders niet thuis waren. Je geeft daar geen antwoord op. Je zegt dat je het niet meer ziet zitten, dat je er het liefst een eind aan zou maken. Ik weet niet hoe zwaar ik dit op moet vatten, het klinkt serieus. Het is ook niet de eerste keer dat je het ter sprake brengt. Ik zeg dat ik het ook niet weet maar dat ik vind dat je zeker weer naar je huisarts moet. Dat je moet blijven praten met hem. Je zegt dat je niet naar het gekkenhuis gaat, nooit. Na twee koppen koffie laat ik je weer uit. Zeg tegen je dat je nog even bij mijn ouders op bezoek moet gaan. Later hoor ik dat je niet bent geweest.

Ik fiets met mijn vriendin door het buitengebied, het is een prachtige zomerdag. Twee weken geleden was je bij me op bezoek. Mijn telefoon gaat, het is mijn moeder. Ze zegt dat jij je opgehangen hebt. Op de zolder van je nieuwe huis. Het nieuwe huis dat nog lang niet klaar was. Ik druk het gesprek weg en zeg niets. De tranen komen vanzelf.