Zodra ik uit de auto stapte activeerde ik mijn privacy-cocon. Ik ben nu onzichtbaar voor camera’s. Hoewel onzichtbaar niet het juiste woord is. Ik ben vaag voor de mensen die meekijken. Ik geniet van de zon op mijn gezicht. Het overtollige licht van de zon wordt automatisch afgeschermd. Heel af en toe schakel ik dit uit. Je ogen dicht moeten knijpen tegen de zon is een surrealistische ervaring waar ik bewust voor kies. Het zal niet goed voor mijn ogen zijn maar je moet ook durven te leven. Ik loop vlot door. De hoeveelheid dierlijk leven om me heen is groot. Vlinders, kevers, zweefvliegen, bijen en hommels. Ik hoor krekels. Een wespendief op een paal. Een vlucht mussen vliegt langs me op. Ik hoef alleen de focus te leggen op een dier en het systeem geeft me aan welk dier het is inclusief alle relevante gegevens die het systeem kent. Vandaag maak ik er geen gebruik van. Ik geniet vooral van alle prikkels die het buiten zijn me geeft en verdring de ergernis die opkomt wanneer ik besef dat ik zonder het systeem te raadplegen zo ontzettend weinig weet.

Al lopend denk ik aan mijn schooltijd. De eerste jaren kan ik me minder goed herinneren maar ik weet nog dat we vooral veel mochten spelen. Wat was de dataschil toen nog eenvoudig. Leren denken was onze voornaamste taak. En na elk schooljaar werden er weer functies in onze dataschil vrij geschakeld. Toen ik vier werd kreeg ik de eerste woorden in mijn dataschil te zien. Dat is geen echte herinnering, ik weet het omdat ik het teruggekeken heb. Het was best wel vreemd om weer tussen de kleine kinderen te zitten. Namen heb ik nooit onthouden, dat was ook niet nodig want de dataschil fluisterde ze mij in wanneer ik er zelf niet snel genoeg op kon komen. Alle dingen die we moesten leren kwamen vanuit de dataschil. Al onze vooruitgang werd vastgelegd. Basis lezen, rekenen en denken waren de hoofdvakken. Wie goed scoorde kreeg extra leerwerk. We hadden een leraar maar zijn taak bestond vooral uit het aanwezig zijn. Hij knikte naar ons, legde af en toe een hand op onze schouder, deelde complimenten uit en motiveerde ons om beter ons best te doen. De dataschil deed de rest. Mijn ouders waren niet heel begaan met mijn resultaten op school, althans, zo voelde dat. Wanneer ik thuis kwam wisten ze al hoe ik de laatste test had afgelegd. Mijn vader en mijn moeder hadden ieder apart een kader ingesteld binnen hun eigen dataschil die de voortgang van mijn resultaten weergaf. Een verslag van mijn werkzaamheden was dus niet nodig. Niet dat ze niet liefdevol waren. De lach van moeder wanneer ik een goed resultaat had gehaald zal ik nooit vergeten.

Na de basisschool begon de voorbereiding op onze specialisatie. Op basis van onze prestaties kon ik verschillende richtingen kiezen. Ik koos voor gespecialiseerde biologie. Zoals bijna alle opleidingen kon ik dit vanuit huis volgen. Niet dat ik daardoor alleen was. Via de dataschil stond ik in contact met alle andere leerlingen van mijn leergang. Ook maakten we regelmatig excursies, dat waren de momenten waarop we elkaar in het echt zagen. Het nut van die excursies was me niet helemaal duidelijk omdat we in principe via de dataschil ook alles konden zien. Toch beleefde ik er veel plezier aan. De geur op locatie, zeker bij een algenboerderij is heel kenmerkend en ook het contact met mijn studiegenoten was zeker de moeite waard. Presentatie in de echte wereld is toch anders dan via de dataschil. Tijdens een van de excursies leerde ik ook Eliza kennen. Ik zag haar staan en op het moment dat ik naar haar keek, keek zij terug. Ik weet niet wat er precies gebeurde maar er viel iets op zijn plaats. Ik liep naar haar toe, schudde haar hand en zei “Hoi Eliza” – ze begroette mij op dezelfde wijze terug. De dataschil had onze namen natuurlijk al ingefluisterd. De hele excursie hebben we naast elkaar gelopen en eenmaal weer thuis gingen er weinig momenten voorbij dat we geen contact hadden. We zorgen dat we in dezelfde projectgroepen kwamen en werkten samen aan opdrachten. We werden wat je noemt hechte vrienden.