Een vriend van de familie, zolang ik leef ken ik je al. Jij en mijn vader doen zaken met elkaar. Privé en zakelijk lopen bij mijn ouders altijd door elkaar. Vaste klanten worden vrienden maar in jullie geval was er eerst vriendschap en kwamen de zaken later pas. Als ik me niet vergis gaat jullie vriendschap terug tot jullie jeugd. Voor mij klinkt dat als heel lang geleden maar wanneer ik er nu aan terug denk zal dat rond de 15 jaar geweest zijn. Als klein kind kwam ik al samen met mijn ouders bij je over de vloer.  Groot huis, grote tuin. Eenden en kippen rond het huis. Mooie vrouw en een paar kinderen van mijn leeftijd. Zoons. In mijn pubertijd zag ik je minder en toen ik daarna het ouderlijk huis verliet helemaal niet meer. Tot ik voor mezelf begon. Mijn ouders seinden me in dat je mijn hulp wel kon gebruiken en dat ik maar eens een afspraak met je moest maken.

Een heel goed gevoel had ik er niet bij. Zeker, je was een bijzonder aardige vent maar je had ook een agressieve inslag. Een schreeuwer. Opdrachten aan je personeel werden schreeuwend overgebracht. Wanneer dingen niet op jouw manier gingen werd er met de vuisten gedreigd. Ze zullen ook wel eens gebruikt zijn. Daar tegenover stond “afspraak is afspraak” – een mondelinge toezegging werd nagekomen, altijd. Over geld hoefde ik mij geen zorgen te maken. Dat kon ik niet bij alle klanten zeggen, hier wel. Met dat schreeuwen en dreigen had ik zelf niet zoveel moeite. Waar anderen in hun schulp kropen was ik wel in staat er tegenin te gaan. Ik kom immers uit een familie waarin schreeuwen de standaard manier van communiceren is. Zelf noemen we dat geen schreeuwen, we praten hoogstens een beetje hard maar mijn eerste vriendinnetje dat ik mee naar huis nam vroeg zich af waarom we in hemelsnaam de hele tijd zo tegen elkaar zaten te schreeuwen. Ik zei dat ik geen idee had maar dat het voor mij prima functioneerde. Ook over wat grotere afstand. Daarnaast werden verzoeken aan elkaar in de gebiedende wijs uitgesproken. Menig zin begon met “Jij moet nu”. Het heeft lang geduurd voordat ik dat een beetje afgeleerd had en zelfs nu ik oud ben betrap ik mij er op dat ik het nog wel eens doe.

Je begroet me joviaal, maar loopt me voorbij. Je snor je handelsmerk, net zoals je bierbuik. “Ik kom zo bij je, pak maar vast koffie!” Ik loop je kantoor in en hoor je verderop vloeken tegen een van je medewerkers. Het duurt niet lang of je komt terug. “Hoe is het? Alles goed? Ook alles goed met pa en ma?” Wanneer ik dat bevestigd heb vraag je waarom ik nog geen koffie heb. Ik zeg dat ik geen koffie drink maar thee. Je schreeuwt door twee ruimtes heen naar je vrouw. “Jen! Maak even snel een kop thee! Hans is hier!” Ik hoor dat ze iets terug schreeuwt. Het klinkt bevestigend. “Moet je luisteren, ik heb hier de fax, de kopieermachine en de computers. Ik wil dat jij dat allemaal hier gaat regelen. Maakt me verder niet uit hoe je het doet, als je het maar goed doet.” Ik zeg dat dat tot mogelijkheden behoort en wil vertellen over het uurtarief dat ik hanteer en over de jongens die ik in dienst heb. “Ik hoef het allemaal niet te weten, maakt me ook niet uit wie je stuurt, zolang ze hun werk maar goed doen. Maar voor de boekhouding heb ik een meisje, en daar moet jij de zaken mee regelen.” Ok, het is mij helder. Veel woorden hebben we met elkaar niet nodig om tot een verstandhouding te komen. Ik verbaas me erover hoeveel hij daarin op mijn vader lijkt. Het contact met mijn vader beperkt zich ook doorgaans tot één zin over en weer. Twee of meer zinnen staan voor een diepgaand gesprek. Ik heb daar nooit moeite mee gehad, zonder woorden werkt communicatie ook prima.

De weken er op kom ik regelmatig op je kantoor. Je hebt een knap meisje uitgezocht voor de administratie. Wel heb ik het idee dat de selectie vooral op basis van uiterlijk heeft plaatsgevonden en niet zo heel erg op computer- en boekhoudskills. Ik schat dat ze een jaar of acht ouder is dan ik. Net geen dertig. Een volle bos blonde haren. Iets kleiner dan ik.

Ik vind het een beetje raar dat je twee kantoren hebt. Het kantoor waar het meisje zit, zit op een ander adres dan waar we de eerste keer afgesproken hebben. Niet helemaal onlogisch want ook hier heb je grootschalige opslag van spullen in een magazijn. Maar dit kantoor oogt als meer dan dat. Het lijkt alsof er op de bank geslapen wordt. Buiten het meisje is hier geen ander personeel aanwezig overdag. Naast de PC staat een foto van een van je zoons. Het is de zoon die een paar jaar geleden is omgekomen tijdens een verkeersongeluk. Drie jaar jonger dan ik. Wanneer het meisje er niet is begin je regelmatig over hem te praten.  Ik heb zelf geen kinderen en kan me het verlies van een kind niet voorstellen. Maar ik merk dat de pijn diep zit, heel diep.

Je vertelt over de problemen met je vrouw. Dat je er met haar niet over kan praten. Dat je niet in je huis kan zijn omdat alles in je huis aan hem doet denken. Dat je plannen hebt om een grote nieuw villa te bouwen. Hier naast het kantoor waar we nu zijn.

Je maakt me deelgenoot van je plannen. Je laat de bouwtekeningen zien. Een keuken heb je al besteld, uit Engeland. Alleen de beste materialen zijn goed genoeg. Nog voor er begonnen is met de bouw wordt er inrichting gekocht. In de maanden er op wordt er met de bouw begonnen. Je schreeuwt de bouwvakkers aan het werk. Op deze bouw wordt niet gelanterfant.

Er is genoeg werk voor mij en tijdens dat werk vertel je steeds meer. Over de relatie met het kantoormeisje. Dat je je steeds slechter voelt. De huisarts die ook niet meer weet wat hij met je aanmoet. Medicijnen die je hebt gekregen maar die je niet regelmatig inneemt. Dat je eigenlijk geen zin meer in alles hebt. Ik wijs je op al het moois waar je mee bezig bent. Het prachtige huis, helemaal naar je eigen zin. Je andere kinderen. Je succesvolle zaak waar het geld letterlijk binnenstroomt. Je vrouw, en ja, dat meisje op kantoor. Je schudt je hoofd, zegt dat je nauwelijks nog slaapt. Wanneer ik ga wens ik je sterkte.

De bel gaat. Wanneer ik open doe zie ik dat jij het bent. Wallen onder de ogen. Je vraagt of je binnen mag komen. Ik laat je binnen en zet koffie. Het is wat vreemd om je in mijn eigen huis te hebben. Waarom kom je naar mij? Ik vraag je of mijn ouders niet thuis waren. Je geeft daar geen antwoord op. Je zegt dat je het niet meer ziet zitten, dat je er het liefst een eind aan zou maken. Ik weet niet hoe zwaar ik dit op moet vatten, het klinkt serieus. Het is ook niet de eerste keer dat je het ter sprake brengt. Ik zeg dat ik het ook niet weet maar dat ik vind dat je zeker weer naar je huisarts moet. Dat je moet blijven praten met hem. Je zegt dat je niet naar het gekkenhuis gaat, nooit. Na twee koppen koffie laat ik je weer uit. Zeg tegen je dat je nog even bij mijn ouders op bezoek moet gaan. Later hoor ik dat je niet bent geweest.

Ik fiets met mijn vriendin door het buitengebied, het is een prachtige zomerdag. Twee weken geleden was je bij me op bezoek. Mijn telefoon gaat, het is mijn moeder. Ze zegt dat jij je opgehangen hebt. Op de zolder van je nieuwe huis. Het nieuwe huis dat nog lang niet klaar was. Ik druk het gesprek weg en zeg niets. De tranen komen vanzelf.