Ik reed terug met je boek naast me. De woorden die je schreef sneden door mijn ziel. Tevergeefs had ik gewacht op een exemplaar. Gehoopt op een klein beetje dankbaarheid voor dat wat was. Een paar troostende zinnen, een mooie terugblik.

Dus ik haalde de woorden bij je op, over de rivieren. Op de terugweg de gedachte. Wat als ik nu hier stop, op het midden van de brug, hij is rustig en breed. Vergetelheid in het donkere wassende water. Mijn auto eenzaam, een portier open, je boek opengeslagen op de eerste pagina. Mijn bestaan gewist.