Eind jaren zeventig was de situatie zo dat mijn vader het geld kon verdienen met de antiekhandel en hij zijn werk als vrachtwagenchauffeur op kon zeggen. Voor mijn geboorte heeft mijn vader proberen samen te werken bij mijn opa in het bedrijf maar dat was geen succes. Botsende karakters. Ik denk dat diezelfde karaktereigenschappen ook het samenwerken tussen mij en mijn vader in de weg hebben gestaan. Dat is geen verwijt, je moet niet samenbrengen wat niet samenwerkt.

Maar mijn opa verdiende zijn geld met het maken van aanrechten en dorpels. Voor mijn tijd werden er ook vloeren gelegd maar daarmee was hij gestopt. De achterliggende reden ken ik niet maar ik vermoed dat mijn opa met het echt zware werk wel klaar was en gekozen had voor het op een makkelijker manier verdienen van het geld. Dorpels en aanrechten konden in de werkplaats worden gemaakt waarbij het werken op locatie deels overbodig werd.

Mijn vader zat dus in de handel. In het begin was dat een kwestie van de boer op gaan en daar oude spullen kopen om die vervolgens aan de man te brengen bij liefhebbers en verzamelaars. Oude rotzooi waar de boer wel vanaf wilde werd gekocht en doorverkocht. Het kopen van een boer was overigens geen sinecure. Dat moest met beleid en werd aangepast op het karakter van de boer. De boer was immers baas op zijn eigen erf en joeg ongenode gasten desgewenst weg. Ik denk dat mijn vader geprofiteerd heeft van de kenniskring van mijn opa. Mijn opa had immers in het verleden veel vloeren bij boeren gelegd.

Maar mijn vader had zijn eigen manier van werken. Hij leerde mij dat je moet bieden naar waarde. Hij zei altijd dat als ik het niet kan kopen dan zal niemand het meer kunnen kopen. Er lagen natuurlijk kapers op de kust en de boer ging ook beseffen dat naarmate er meer geïnteresseerden kwamen dat hij met die oude spullen wellicht goud in handen had. De boerenkabinetten waren favoriet en aan de weinige gesprekken die ik tussen mijn vader en opa heb meegemaakt ging het vaak over waar welk kabinet stond en welke pogingen er al ondernomen waren om iets te kopen en welke andere handelaren al een poging hadden gedaan. Veel goeds hoorde je dan niet over de andere handelaren.

Natuurlijk ging dat in die tijd allemaal contant en omdat er veel grensverkeer was ging dat in marken en guldens. De gevulde portefeuilles puilden dan ook uit van het papiergeld. Mijn oma bewaarde op de slaapkamer enveloppen met guldens en marken en ik keek altijd gefascineerd toe hoe het kapitaal geteld werd. Een mark deed ongeveer 90 pfennig tot de gulden maar mijn oma en vader hadden blijkbaar een wisselkoers van een op een met elkaar afgesproken.

Als kind mocht ik af en toe met een stapel biljetten in mijn hand naar oma lopen om te wisselen. De kleine hummel met 5000 gulden in zijn handen liep dan naar oma om vervolgens met 5000 mark weer terug te lopen.  De bult af en door het bos weer naar huis. Ook moest ik wel eens geld halen bij oma. Mijn vader had dan niet genoeg om een transactie af te handelen waarbij ik naar oma moest rennen om te vragen om geld. Oma haalde dat geld dan zonder verder te vragen uit de dekenkist op de overloop en stuurde me weer terug. Overigens moest dat altijd stiekem, zodat opa het niet doorhad. Bij het teruglopen moest ik dan langs de werkplaats van opa waarbij oma me gemaand had het geld achter mijn trui te houden. Dat was niet zo heel eenvoudig want de deuren van de werkplaats stonden altijd open maar opa heeft nooit iets gezegd.

Kwam mijn opa er achter dat er geld verdwenen was dan was het huis te klein. Mijn vader bagatelliseerde dat altijd want die oude gek kreeg toch gewoon een paar dagen later zijn geld terug. De boosheid van mijn opa richtte zich overigens altijd op mijn oma. Die was de schakel in de communicatie. Het grappige is dat het bij mijn vader en mij ook zo werkt. Mijn moeder vraagt mij of ik mijn vader met iets wil helpen. De vraag komt zelden tot nooit direct.