Ik ben geboren op 23 april 1969 en daarmee noem ik me semi-gekscherend wel eens een kind van de jaren 60. Natuurlijk herinner ik me niets van die eerste jaren maar ik vertel altijd graag dat ik de eerste maandlanding live heb kunnen volgen. Bij herinneringen rond mijn geboorte ben ik dus afhankelijk van de verhalen die mijn moeder me heeft verteld. Later vertelde mijn oma er ook nog wel iets over maar ik kan me niet herinneren dat mijn vader er ooit iets over gezegd heeft. Ik heb hem er ook niet naar gevraagd.

Ik weet dat ik alleen ben geboren. Buiten mijn moeder waren er geen andere mensen aan het bed. Ik weet niet waar mijn vader op dat moment was. Ik kan me voorstellen dat hij aan het werk was. De vroedvrouw was te laat en heeft dat moeten bekopen met een scheldkanonnade van mijn opa. De werkplaats van mijn opa zat vast aan het huis van mijn ouders.

Oorspronkelijk was die werkplaats gebouw in combinatie met kantoorvoorzieningen. Die kantoorvoorzieningen werden uiteindelijk mijn ouders huis. Een feitelijk illegale situatie maar daar werd in de tijd wat minder moeilijk over gedaan. Maar misschien dat mijn familie zich iets minder aantrok van wet en gezag, dat gevoel heb ik wel altijd gehad.

Mijn opa was een Italiaan, althans, dat is me altijd zo verteld en ik heb dat altijd geloofd. Zijn beide ouders waren in elk geval afkomstig uit Italië maar voor mij klonk hij als een Achterhoeker. Hij sprak zuiver plat en ik stel me zo voor dat de scheldpartij richting de vroedvrouw ook in onvervalst Achterhoeks is gegaan. Pas veel later leerde ik dat mijn opa in dit dorp geboren is en als kind teruggestuurd was om in Italië de lagere school te doorlopen. Het heeft de liefde voor zijn vaderland niet vergroot.

Als kind probeerde ik me vaak voor te stellen hoe zo’n reis van Italië naar Nederland dan gegaan zou zijn. In mijn kinderlijke beeld zag ik mijn voorouders de meer dan 1000km lopen, misschien naast een paard met kar. Dat er rond 1900 al spoorwegen door heel Europa aangelegd waren kwam toen niet in me op. Ook pas later leerde ik dat mijn overgrootouders helemaal niet naar Nederland waren gekomen maar in de eerste instantie in het Duitse Bocholt, net over de grens bij mijn geboortedorp waren neergestreken.

Dat er een verbinding tussen onze familie en Duitsland was is me altijd duidelijk geweest. Alleen dacht ik altijd dat dit kwam door mijn moeder haar familie. De verwevenheid Duitsland Nederland was dusdanig dat ik nooit goed heb geweten wie nou Duits was en wie Nederlands. Mijn Opoe, die geen oma genoemd werd omdat het verschil met mijn andere oma aan te duiden gooide regelmatig Duitse woorden door haar Nederlandse zinnen.

Dat alles maakte mijn eigen identiteit wat lastig. Mijn ouders waren overduidelijk Nederlands en omdat mijn opa getrouwd was met een Nederlandse was mijn vader voor de wet een Italiaan en wat bloed betreft een halve Italiaan. Dat maakt mij tot een kwartje. Dat verdunde Italiaanse vond ik te weinig om Italiaan te zijn maar te veel om me volledig Nederlands te voelen. Mijn moeder vertelde me af en toe dat ik een Nederlander en een Italiaan was. Dat was voor mij een acceptabel idee en werd ook bevestigd door de dubbele nationaliteit die er op me was geplakt door de instanties.

Pas later leerde ik dat Italië rond 1900 pas een heel jong koninkrijk was en dat mijn opa waarschijnlijk nooit Italiaans heeft gesproken maar het Friuliaans. Friuli ligt aan de voet van de Alpen en het dorp van mijn voorvaders ligt tegen de bergen aan. Dat mijn opa waarschijnlijk nooit echt goed Italiaans heeft gesproken was niet relevant voor mij want ik heb mijn opa maar een keer de taal gebrekkig horen spreken. Toen ik geboren werd sprak mijn opa het Achterhoeks. Wanneer hij netjes beschaafd Nederlands probeerde te spreken moesten we als kinderen altijd lachen. Mijn opa sprak alleen Nederlands tegen belangrijke mensen. Daarnaast was hij het Duits redelijk machtig hoewel dat gepaard ging met Achterhoeks en veel gebaren.

Mijn opa zal rond de 50 zijn geweest toen ik geboren werd. Als kind herinner ik mij hem als een slanke, bijna magere man die elke dag van de week in zijn werkplaats aan het werk was. Zwarte stugge haren als een echte Italiaan met helderblauwe ogen. Hij was niet vriendelijk en joeg ons vaak weg, zijn werkplaats was zijn heiligdom en kinderen hadden daar geen toegang. Toch heeft me dat nooit weerhouden bij hem te kijken of naar binnen te gaan. De onvriendelijkheid was een houding, niet zijn ware karakter.

Mijn opa’s werkplaats grensde dus aan mijn ouders huis. Zijn eigen huis lag 30 meter verder aan de straat. Daar woonde hij samen met mijn oma die daar de scepter zwaaide. Naast mijn oma woonden daar twee jongere zussen van mijn vader. Ik scheel drie jaar met mijn jongste tante. Hoewel ik later een broertje en een zusje kreeg waren die twee tantes ook een soort grotere zus voor mij. We woonden immers op hetzelfde perceel maar in aparte huizen. De keuken van mijn oma was net zo vanzelfsprekend als mijn eigen huis. Zeker 20 jaar was het heel normaal om binnen te lopen en aan tafel plaats te nemen. De stoel naast de kachel onder de koffiemolen of gewoon aan tafel. Ik denk dat de keuken 2 bij 3,5 meter was, genoeg plek voor een man of twaalf.

Oorspronkelijk kwam mijn oma uit een katholieke familie maar zolang ik haar gekend heb was ze aangesloten bij de Jehova’s Getuigen. Drie van mijn vier tantes had ze ook naar dat geloof getrokken maar mijn opa heeft ze nooit zover kunnen krijgen. Ik geloof ook niet dat ze daar erg haar best voor gedaan heeft. Ondanks dat dat geloof een grote stempel drukte op het dagelijks leven heb ik nooit het idee gehad dat ze bij een enge gemeenschap zat. Mijn oma volgde de regels van haar geloof maar is in mijn beleving altijd een zelfdenkend individu gebleven.

Ik ben dus opgegroeid zittend naast de kachel van oma, ondertussen onderwezen met Bijbelkennis en de dreiging van Armageddon. Zelfs mijn vroegste herinneringen daaraan doen me beseffen dat die vreselijke verhalen geen grote indruk maakten. Ik vond het vooral heel gezellig om mijn oma te horen praten, ook al was het hel en verdoemenis dat de mensheid stond te wachten. Toen ik later leerde dat het tijdstip van Armageddon al diverse keren met tijd en datum waren genoemd door deze geloofsgemeenschap was het voor mij als kind al duidelijk dat ik er geen grote waarde aan moest hechten.

De gedachte aan een derde wereldoorlog leek me als kind relevanter. Je hoorde mensen er over praten en ik weet dat mijn opa zich daar regelmatig echt zorgen over maakt. In een opgevangen gesprek tussen mijn vader en kennissen begreep ik dat er mensen waren die een bunker aan gingen leggen of dat sterk overwogen. De dreiging van oorlog was geen dagelijkse dreiging maar hing wel altijd over ons heen. Naarmate ik ouder werd, werd dat besef steeds groter en ontstond de fascinatie voor de kernraket en de vernietigende kracht die er mee gepaard ging. Met vriendjes ontstond dan de discussie hoe vaak de aarde nu vernietigd kon worden met het huidige arsenaal. Was het nou tien, honderd of duizend keer?

Maar zo was er dus een doodnormaal kind geboren uit twee jonge ouders. 23 april 1969. Iets meer dan een jaar later werd mijn broertje geboren en nog eens vier jaar later mijn zusje. Na de geboorte van mijn zusje moest ik na verloop van tijd met mijn broertje een kamer delen. Omdat de kamer te klein was voor twee bedden kregen we een stapelbed. Als oudste mocht ik bovenin. Drie kleine slaapkamers, een gang, een douche, een keuken en een woonkamer. Alles op de begane grond. De zolder was te bereiken via een luik op onze slaapkamer. Het huis grensde aan het spoor en was vrijstaand. Het spoor vormde een indrukwekkende grens. Alles aan de andere kant was een andere wereld. Mijn ouders noemden ons huis een bungalow. Dat vond ik leuk want daarmee woonden we niet in een gewoon huis.

Onze slaapkamer grensde aan de werkplaats van mijn opa maar de deurverbinding die tussen beide ruimtes had bestaan was dichtgemetseld. Het kamertje van twee bij drie had uitzicht op het bos dat lag tussen het huis van mijn ouders en het huis van mijn opa en oma. De stoppenkast zat in de hoek rechts naast het raam en de waterleidingmeter zat in een luik onder de tapijttegels in de vloer.

Door het bos gekeken kon ik het huis van mijn opa en oma zien liggen. Een provisorisch pad liep door het bos naar het huis van oma. Als ik me goed herinner was dat eerst een zandpad met steentjes en werden er later op gepaste afstand van elkaar betontegels ingelegd. Het huis van mijn oma stond wat verhoogd. De meter hoogteverschil noemden we de bult. Zou je de bult oplopen dan kwam je op het terrasje aan de achterkant van de woning van mijn oma. Rechts het kolenhok met twee compartimenten. Twee zwart geschilderde kleppen bovenop gaven toegang tot het hok en via de blikken vuilnisbak klommen we er als kind makkelijk op. De bovenkant van het kolenhok was van geschilderd beton en liep met een lichte helling schuin af.

Midden jaren zeventig was het kolenhok niet meer in gebruik als kolenhok maar deed dienst als opslag van tuingereedschap. Spinnenwebben en dikke zwarte spinnen vonden er hun huis.

Via het terras kon je via de achterdeur de keuken van mijn oma binnenlopen. Rechts het schuurtje waarin de wasmachine en de fietsen stonden. De voordeur van mijn oma’s huis werd zelden gebruikt. De achterdeur ging pas op slot wanneer het tijd van slapen was. Was ik een keer te vroeg in de ochtend, wat zelden zo was, dan draaide mijn oma of opa de slot van de deur en liet me binnen.

Mijn lagere school en kleuterschool lagen beide op een fikse steenworp afstand. De weg ernaartoe liep eerst door het bos, de bult op, rechts voor het kolenhok langs en dan links langs het huis van mijn oma langs het keukenraam. Ik stak mijn hand altijd op of mijn oma nu voor het aanrecht stond of niet. Meestal stond ze er. Mijn oma was niet heel groot, ruim 150cm maar ze kwam zeker met haar schouders boven het aanrecht uit. Op de terugweg van school, tweemaal daags want tussen de middag was het thuis warm eten zag ik mijn oma en opa dan weer. In de middag schoot ik regelmatig naar binnen voor een kop thee en de nodige doemverhalen.

Mijn oma was een vast gegeven, een plek waardoor ik in plaats van eenmaal thuis te komen dagelijks twee keer thuis kon komen.